Geschiedenis

Geschiedenis

Vanaf de eerste inwoners, de Caiquetios (afstammelingen van de Arawak Indians) die zo’n 1000 jaar geleden vanaf de kust van Venezuela naar Bonaire zeilden, tot de vele verschillende culturen die het huidige Bonaire bevolken: het eiland heeft zijn eigen karakter altijd behouden. De naam Bonaire komt waarschijnlijk oorspronkelijk van het Caiquetio-woord ‘Bonay’, wat “laag land” betekent. De eerste Spanjaarden en Nederlanders veranderden de spelling naar Bojnaj en ook Bonaire. De Franse invloed was nooit groot genoeg om aan te nemen dat Bonaire afstamt van het Franse “goede lucht”.

De eerste Europeanen kwamen 1499 naar Bonaire, toen Alonso de Ojeda en Amerigo Vespucci het eiland ontdekten en voor Spanje claimden. Omdat zij weinig van commerciële waarde vonden en geen toekomst voor grootschalige landbouw zagen, besloten de Spanjaarden het eiland niet verder te ontwikkelen. In plaats daarvan namen zij de lokale indianen gevangen en transporteerden hen naar het eiland Hispanolia om aldaar op de plantage te laten werken, zo het eiland Bonaire onbevolkt achterlatend, wat tot 1526 zo zou blijven. In het jaar 1526 werd vee naar het eiland gebracht, in opdracht van de toenmalige gouverneur Juan de Ampues. Enkele Caiquetios werden naar Bonaire teruggebracht om te werken en enige jaren later werd het eiland een centrum voor het houden van schapen, varkens, paarden en ezels. Omdat deze hoofdzakelijk voor de huiden gehouden werden (niet voor het vlees), mochten deze vrij rondlopen en hadden niet veel aandacht nodig. Het resultaat was grote kuddes dieren; in aantal veel groter dan het aantal inwoners. Vandaag de dag kan men nog steeds kuddes (wilde) ezels en geiten zien rondtrekken op zowel het platteland als in de straten van Kralendijk.

De eerste jaren was Bonaire niet zeer welvarend. De bewoners waren meestal gevangenen van andere Spaanse kolonies in Zuid-Amerika. De enige permanent bewoonde plaats was het huidige Rincon, ver in het tegen piraten veilige binnenland van Bonaire. In 1633 veroverden de Nederlanders Curaçao, Bonaire en Aruba. Het grootste eiland, Curaçao, werd het centrum van de slavenhandel. Bonaire werd een plantage in het bezit van de Nederlandse West Indische Compagnie. Het was in deze tijd, dat de eerste Afrikaanse slaven naar Bonaire werden gebracht en gedwongen werden om te werken: houthakken, zout winnen en mais verbouwen. Vandaag de dag herinneren de slavenhutten en zoutpannen nog aan deze geschiedenis.

Tot 1816 wisselde Bonaire meerdere malen van eigenaar. Door het verdrag van Parijs werd het eiland uiteindelijk aan Nederland toegewezen. Een kleine vesting, Fort Oranje, werd gebouwd om de grootste rijkdom van het eiland, het zout, te beschermen. Zout was op Bonaire in grote hoeveelheden beschikbaar, hoewel het zeer zwaar en moeilijk was dit te winnen. In die dagen werd zout vooral gebruikt om voedingsmiddelen te conserveren (“pekelen”). In 1837 was Bonaire het centrum van een florerende zoutproductie. De regering, die ook de zout-industrie beheerste, liet bij de zoutpannen 4 obelisken bouwen in de kleuren rood, wit, blauw en oranje (de kleuren van de Nederlandse vlag en het koningshuis Oranje). Doel van deze obelisken was de schepen te signaleren waar zij hun scheepsladingen zout moesten ophalen. Een vlag in de gelijke kleur werd op zee gehangen, op de plaats waar het schip voor anker moest gaan. Drie van de obelisken zijn ook vandaag nog te zien. De afschaffing van de slavernij betekende het einde van de uitbuiting van de eerste Bonairianen. Daarna zou het meer dan 100 jaar duren, voordat de zoutindustrie weer werd opgebouwd. Vandaag de dag is de zoutwinning een onderdeel van Cargill, een groot Amerikaans chemisch bedrijf.

Het einde van de 19e eeuw was ook de tijd dat Bonaire bezoekers begon aan te trekken. Met de bouw van de eerste pier in de haven van Kralendijk begon het eigenlijke toerisme op het eiland. Met de pier werd het mogelijk schepen af te meren en bezoekers aan land te laten. Ook de bevoorrading werd zo een stuk gemakkelijker. Hotels openden hun deuren voor de eerste toeristen, die genoten van de rust die het eiland bood. In 1943 werd het vliegveld van Bonaire geopend, dat Bonaire voor toeristen nog toegankelijker maakte.

De geschiedenis schrijdt voort. De inwoners van Bonaire zijn zich bewust van het verleden en trots op wat zij in relatief korte tijd hebben bereikt: het is nog niet zo heel lang geleden dat het eiland door de Spanjaarden als nutteloos werd beschouwd en compleet onbevolkt was. De Bonairianen zien de toekomst positief en met vertrouwen tegemoet, maar hebben bewust gekozen voor een rustigere weg, waarin vooral ook de natuur en het milieu een belangrijke plaats innemen.